Beantwoording kamervragen over HIV/Aids en disability
Op 24 december stelde PvdA kamerlid Tjon-a-Ten kamervragen over HIV/Aids en mensen met een handicap. De vragen zijn gesteld naar aanleiding van verschijning van een onderzoeksverslag van de Yale universiteit. Daaruit blijkt dat mensen met een handicap een verhoogd risico lopen op HIV besmetting. Aan dit onderzoek besteedde DCDD aandacht tijdens de workhop gehouden op het nationaal Aids congres in de RAI begin december.
Vraag 1
Kent u het onderzoek van de Yale Universiteit en de Wereldbank, genaamd 'HIV/AIDS & Disability: Capturing Hidden Voices'?
Antwoord: Ja.
Vraag 2
Deelt u de tussentijdse hoofdconclusies van het onderzoek dat mensen met een handicap een significant hoger risico lopen om geïnfecteerd te worden met HIV en op alle risicofactoren van HIV-infectie hoger scoren dan mensen die geen handicap hebben? Zo ja, op welke wijze wilt u hiermee rekening houden in uw beleid ten aanzien van HIV/AIDS, mede gezien het feit dat 10 procent van de wereldbevolking een handicap heeft?
Antwoord: Ik deel de conclusie dat mensen met een handicap behoren tot de groepen van de bevolking met een verhoogde kwetsbaarheid voor HIV infectie. Ik verwijs u ook naar mijn antwoord op vraag 3.
Vraag 3
Onderkent u dat mensen met een handicap eerder slachtoffer zijn van verschillende vormen van seksueel geweld en dat vrouwen met een handicap een dubbel risico lopen? Zo ja, hoe denkt u hiermee rekening te houden in uw beleid gericht op vrouwen en HIV/AIDS?
Antwoord: Ik ben van mening dat alle kwetsbare groepen (waaronder gehandicapten en vrouwen, maar ook bijvoorbeeld jongeren en homoseksuele mannen) een groter risico lopen om geïnfecteerd te worden met HIV. Deze kwetsbare groepen verdienen aandacht, niet in de vorm van specifiek doelgroepenbeleid maar door middel van mainstreaming binnen het huidige beleid.
Vraag 4
Ziet u mogelijkheden in uw huidige beleid ten aanzien van HIV/Aids extra stimulerende maatregelen te nemen, zodat in de opzet van in het bijzonder gezondheidsvoorzieningen structureel rekening wordt gehouden met HIV/Aids-patiënten met een handicap? Zo neen, waarom niet? Zo ja, aan welke stimulerende maatregelen denkt u concreet?
Antwoord: Toegang tot gezondheidsvoorzieningen, met name voor de meest kwetsbare groepen waaronder gehandicapten, vormt reeds een onderdeel van het beleid dat voornamelijk uitwerking krijgt op landenniveau. Hieronder vallen voorbehoedsmiddelen en Aidsmedicijnen.Ik zie geen mogelijkheden om in het huidige beleid extra stimulerende maatregelen te nemen ten behoeve van AIDS patiënten met een handicap. De bilaterale samenwerking heeft de afgelopen decennia grote wijzigingen ondergaan. Waar voorheen de verschillende donoren hun eigen projecten uitvoerden, ligt nu de nadruk op ondersteuning en capaciteitsopbouw van nationale overheden om hun eigen (sector) programma's uit te voeren. In deze aanpak is vanzelfsprekend minder ruimte om eigen prioriteiten van de verschillende donoren door te voeren. Dit zou ook niet wenselijk zijn, en de ervaring heeft geleerd dat een breed draagvlak in het ontvangend land een noodzakelijke voorwaarde voor succes is. De behoeften van kwetsbare groepen worden door middel van mainstreaming in het sectorbeleid geïntegreerd, daarnaast ondersteunt Nederland maatschappelijke organisaties die werken aan empowerment en zelforganisatie van maatschappelijke groeperingen, waaronder mensen met een handicap.
Vraag 5
Bent u bereid in door Nederland - bilateraal en multilateraal - gesteunde HIV/Aids-programma's aandacht te vragen voor seksueel actieve mensen met een handicap, zodat zij toegang krijgen tot HIV-testvoorzieningen, voorbehoedmiddelen en/of de verstrekking van Aidsmedicijnen? Zo neen, waarom niet? Zo ja, hoe wilt u dit gaan doen? Op welke termijn? Bij welke door Nederland bilateraal gesteunde HIV/Aids-programma's en bij welke multilaterale HIV/Aids-programma's?
Antwoord: Ik zie geen mogelijkheden om in het huidige bilaterale en multilaterale beleid specifieke aandacht te vragen voor seksueel actieve mensen met een handicap. Het aanbod aan voorzieningen voor testen, zorg en behandeling blijft in veel ontwikkelingslanden nog sterk achter bij de behoefte. Nu meer financiële middelen beschikbaar komen, kunnen deze voorzieningen uitgebreid worden. De beperkte uitvoerende capaciteit vormt daarbij een struikelblok dat allereerst aangepakt dient te worden. De mate waarin gelijkwaardige toegang tot voorzieningen kan worden gegarandeerd is een zeer relevante discussie die op landenniveau met ruime participatie van de verschillende lokale partners gevoerd moet worden. Vanzelfsprekend dienen in deze discussies ook de belangen van kwetsbare groepen, waaronder mensen met een handicap, meegenomen te worden. Bewustwording en zelforganisatie van deze groepen is daarvoor een eerste voorwaarde, ik zie daar met name een belangrijke rol weggelegd voor maatschappelijke organisaties.
Vraag 6
Vindt u dat voorlichtingscampagnes over HIV/Aids toegesneden moeten zijn op de ontvangers van de voorlichtingsboodschap? Zo ja, vindt u dat in het geval van specifieke handicaps daarmee rekening moet worden gehouden en bent u bereid zich hiervoor actief in te zetten? Vindt u dat mensen met een handicap hier actief bij betrokken moeten worden? Zo neen, waarom niet? Op welke wijze denkt u het een en ander in uw beleid vorm te (kunnen) geven?
Antwoord: Voorlichtingscampagnes dienen inderdaad toegesneden te zijn op de ontvangers van de voorlichtingsboodschap. Nederland financiert enkele organisaties die zich met HIV/Aids voorlichting bezighouden. De voorlichtingsboodschap is toegespitst op de groepen waarop de campagnes zich richten, zowel in de methodes en middelen van communicatie - van strips en filmpjes tot stijliconen als popsterren - als in de boodschap die zij uitdragen. De campagnes zijn dan ook zeer uiteenlopend naar stijl en inhoud. Campagnes in landen waar veel infecties plaatsvinden onder intraveneuze drugs gebruikers zullen zich bijvoorbeeld sterk op deze groep richten. Actieve betrokkenheid van de doelgroep bij voorlichtingscampagnes is vanzelfsprekend, mensen met een handicap vormen hierop geen uitzondering. Ik zie geen reden verandering in mijn beleid aan te brengen.
Vraag 7
Ziet u voor Nederland een rol weggelegd bij het bestrijden van vooroordelen over en stigmatisering van onder andere seksueel actieve mensen met een handicap bij gezondheidspersoneel en mensen werkzaam in de Aids-bestrijding, in het bijzonder in de landen waarmee Nederland een bilaterale ontwikkelingsrelatie onderhoudt en waar gezondheidsprogramma's tot de prioriteitsgebieden behoren? Zo ja, welke rol? Zo neen, waarom niet?
Antwoord: Ik zie voor de Nederlandse overheid geen rol weggelegd op dit terrein. Naar mijn mening hebben vooral particuliere organisaties een meerwaarde in de zelforganisatie en belangenbehartiging voor gehandicapten. Om die reden waardeer ik de rol die de Dutch Coalition for Disability and Development speelt om de bewustwording over handicap en ontwikkeling onder de Nederlandse ontwikkelingsorganisaties te vergroten. Niettemin is het verminderen van stigmatisering en discriminatie een belangrijk element van het Nederlandse HIV/Aids-beleid. Stigma en discriminatie belemmeren in nog te veel landen een effectieve aanpak van HIV/Aids. Dat geldt ten aanzien van mensen die met HIV geïnfecteerd zijn, maar ook ten aanzien van mensen die om welke reden dan ook specifiek kwetsbaar zijn voor HIV infectie. Zoals u weet hecht ik in mijn beleid sterk aan seksuele en reproductieve gezondheid en rechten. Vanzelfsprekend gelden seksuele en reproductieve rechten voor alle mensen, dus nadrukkelijk ook voor mensen met een handicap.